Terug

A
A
A

SLAUERHOFFS UNVOLLENDETE


Slauerhoff heeft zijn "Chinese" romans Het verboden rijk (1932) en Het leven op aarde (1932) gezien als delen van een trilogie, voor de voltooiing waarvan hij zich nog niet rijp achtte. Aldus J.F. Fessard op pagina 252 van zijn studie over de Nederlandse auteur; hij verwijst naar een brief van 9 juli 1933.


Wat beoogde Slauerhoff met het te schrijven derde deel? En waarom achtte hij er zich nog niet "rijp" voor?


Tweederde van de fictieve weg heeft hij voor zijn dood in 1936 afgelegd. Vinden we in de voltooide teksten aanwijzingen voor de aard van die afgelegde weg?


I


Het verboden rijk heeft twee hoofdpersonen: de zestiende-eeuwse Portugese dichter Camoëns en de twintigste-eeuwse Ierse marconist Cameron.


Camoëns, door Slauerhoff beschreven als een nieuwe Odysseus, wil geen dichter zijn maar een ontdekkingsreiziger naar de wereld en zichzelf. Natuur, hoe wreed soms ook, gaat in zijn ogen boven cultuur. Je innerlijke natuur volgen betekent voor de Camoëns-figuur van Slauerhoff: los van alle banden op avontuur uitgaan, door het instinct geleid de wijde wereld intrekken, het Onbekende tegemoet. Aan zo'n, niet bij voorbaat innerlijk en sociaal beperkt, leven van de daad geeft hij de voorkeur boven een gedomesticeerd bestaan binnen de normen van de cultuur. Die normen worden voor hem belichaamd in de beelden van goden en godinnen op zijn vaders landgoed (en ook zijn geliefde geeft hij een godinne-naam!). In de tweede paragraaf van het eerste hoofdstuk lezen we: "Ik haatte hen omdat zij deugden en geboden voorstelden. Van mijn prilste jeugd af had ik mij verzet tegen de beschaving die"(...) "mij zwaartillend en lijdensbereid zou maken en boeien aan de plaatsen waar zij bloeit, schaars over de aarde verspreid. Zo zou mijn lot, van licht en onbekommerd over de aarde te zwerven, worden verbitterd tot heimwee, na de liefde vreesde ik deze macht het meest."


Op zijn zestiende jaar krijgt Camoëns echter de Odyssee in handen: "Het gedicht voerde mij mee" (...) "Ik had een kwetsbare plek gekregen, die ik wel verborgen hield en waarvan ik hoopte te genezen, maar ik bleef lezen en eindelijk schreef ik" (...) Het schrijven is voor hem een "zwak", een "ziekte", het maakt ook hem tot een balling die smacht naar "het vaderland van de geest: Parijs, Rome, Ravenna."


Twee jaar later, als hij vanwege zijn verboden liefde voor "Diana" zal worden verbannen, informeert zijn oude vader "of zijn gedicht nog was gevorderd. Dit was voor Luiz het sein (...) uit te breken in vervloekingen tegen de demon die hem nog altijd kwelde en hem nog geheel ongeschikt zou maken voor daden."


Ook als balling in het Verre Oosten zal Camoëns door de vloek van de poëzie worden achtervolgd: in Macao verraadt hij, in gevangenschap voort-schrijvend aan de Lusiaden - zijn epos over de ontdekkingsreizen van Vasco da Gama - de verblijfplaats van Pilar (die hij met zijn Portugese "Diana" identificeert).


De verraderlijke, het ik ondermijnende, "vrouwelijke" poëzie is de Achilleshiel van de naar "mannelijke" zelfverwerkelijking strevende Camoëns.


De marconist Cameron, de tweede hoofdfiguur, eeuwen later levend, loopt in Het verboden rijk groot gevaar te worden "bezeten" door de zwervende ziel van Camoëns. Om aan dat gevaar te ontkomen ontvlucht Cameron in Het leven op aarde de zee. Hij, een Ier, aan boord net zo'n buitenstaander als hij in Ierland al was, probeert zijn oude, weinig florissante identiteit nu geheel kwijt te raken om zijn "bestemming te bereiken", zijn "ander zelf te worden", een zelf dat hij "zijn moet".


De keus van Camoëns als "prototype" van Cameron is niet zo vreemd. Beiden zijn zwervers, op zoek naar het echte, natuurlijke leven, naar het onbekende, buiten, maar vooral ín henzelf, en in beider leven spelen daad en dadeloosheid een belangrijke rol. Camoëns is niet "als dichter" Camerons prototype, maar "als door de cultuur, de gemeenschap, het heimwee en de liefde in zijn zelf-realisering bedreigde". Camoëns neemt bezit van Cameron, omdat hij tijdens zijn leven zijn eigen lotsbestemming niet heeft vervuld en na zijn dood is blijven zwerven - hij kiest Cameron uit om de demonen die hem bedreigden (cultuur, gemeenschap, liefde, heimwee) definitief te overwinnen en zo tot rust te komen.


II


Het Oosterse decor is bij dit alles niet toevallig, al moet het meer symbolisch of filosofisch dan geografisch worden begrepen. Beide boeken, in wezen ideeënromans, zijn "Chinees" geconcretiseerd. Dat het Slauerhoff echter in laatste instantie niet om het historische en geografische te doen was, wordt al waarschijnlijk door de vrijmoedigheid waarmee hij met de Chinese feiten - die hij kénde - is omgesprongen. Centraal staat bij hem (als bij Couperus in De stille kracht en Iskander) de tegenstelling West-Oost, en Oost is meer dan China alleen - het is ook Tibet, ook India, Dat Oosten is het Onbekende, het niet-Westerse, het niet intellectueel-technische.


Het blijkt ook steeds meer het (zoals we al zagen, door Camoëns ontvluchte) niet-mannelijke, het moederlijk de individualiteit bedreigende.


De westerlingen penetreren ("overweldigen" en "gewelddadig doordringen" staat in hoofdstuk 9) het "dodelijke" China vanuit de "levenbrengende" zee, waar de wind over de ruisende wateren ademt (hoofdstuk 1, met Genesis-connotatie). Dat China is een domein van Ewige Wiederkehr, onbegrensd in tijd en ruimte, van dood, maar ook van geboorte, van wedergeboorte vooral via de dood. Enkele citaten: "Amoy zuigt landverhuizers in en spuwt ze weer uit» in en uit, uit en in" (H.l) "Dit was voor mij de wijde ingang tot een benauwde wereld waardoor ik heen moest om te komen tot het leven dat mij wachtte" (H.2). "Het was of ik de tijd korrel voor korrel door een zandloper voelde zakken, terwijl ikzelf, in de vernauwing van de zandloper gekneld, die voortgang tegenhield" (H.3).


De Chinezen zijn niet, als de westerlingen, individueel, maar onderdeel van de massa, "een stuk van China. Een deel dat zich bij het geheel voegt" (H.l). Zij leven niet in het heden alleen, maar evenzeer in verleden en toekomst van hun soort: "Later viel hun toch alles ten deel: hun nakomelingen, wat hun hetzelfde was" (H.2). Men zie ook de koelies in H.2: "Zij waren samen (...) één lastdier, voor- en achterpoten van een lastwerktuig." Zo vormt heel de Chinese bevolking één organisme, dat zich aan de natuurlijke omstandigheden aanpast: "De generaties kwamen en gingen, de bevolking bleef, wat vermeerderd in tijden van genoegzaamheid, inkrimpend bij gebrek" (H.7).


De Chinese stad Tai Hai, "genadeloos mensen vermalend", wordt in het verlengde hiervan afgeschilderd als een generzijds, een dodend en omvormend gebied, als ingewanden, als een Danteske hel zonder paradijs, met een toren van Babel die geen uitzicht biedt: "In stegen, nauw en stinkend als dunne darmen, verdrong zich hier een ras van wemelende parasieten. Waarop? Op elkaar, op de huizen, op iets ondergronds. Hoewel geen van die wezens mij iets deed, had ik het gevoel alsof zij met hun allen mij ombrachten, alleen door hun daar zijn waar ik niet kon zijn en toch was. Ik wilde terug, maar kon de weg uit het labyrint niet meer vinden. Middenin de Chinese stad, wist ik, moest een pagode van vijfendertig verdiepingen liggen. Zoals een die verdwaald is in het oerwoud een hoog-oprijzende palm beklimt om een uitzicht te herkrijgen, zo beklom ik de wenteltrap van de pagode, die uit het. midden van de vuilte zuiver oprees. Van de bovenste galerij hoopte ik de hemel te zien. Die was er niet (...) ik onderscheidde niets van de stad waarop ik neerzag. Zij deed aan als een woekering van ruige planten met ingevreten over elkaar geschoven rottende bladeren van giftige groen-bruine kleur. Maar zelfs tot hier steeg het rumoer als borrelende gassen door een voze oppervlakte" (H.2, hier ruim geciteerd, mede vanwege het spiegelbeeld-in-negatief van mannelijk-vrouwelijke eenheid, eenheid van Yin en Yang, en vanwege de pre-culturele en pre-individuele, archetypische oerwoudbeeldspraak).


III


Door deze en dergelijke doodservaringen moet de westerling Cameron heen om zijn bestemming (in mijn visie tegelijk die van Camoëns) te bereiken. Het doel is hem nog onbekend (H.3): "Wat deed ik hier? Ik moest toch ergens zijn op de wereld. Ook hier zocht ik waar ik wezen moest. Misschien waren er nog duizenden zulke plaatsen waar ik zou wachten, wachten op iets dat ik niet kende." Zelfs is onbekend of er wel een doel, een eindpunt is (H.4): "Zwierf ik, al was het in kringen en met omwegen, naar mijn doel, was het zwerven zelf al mijn doel geworden of was het alleen vluchten van de leegte af?" Het uiteindelijk doel doet zich hoogstens voor als de negatie van zijn bestaan (H. 4): "het land (...) lag leeg en grijs als het niet zelf, het niet waarvoor ik nog niet rijp was."


In het vijfde hoofdstuk besluit hij erin te berusten dat hij uit de hand van de misdadige Hsioe zijn lot zal moeten aanvaarden. Deze wijst hem overigens op China's meest beroemde filosoof: "Lao-Tse (...) heeft heel zijn leven voor niets gewacht en toen merkte hij pas dat er niets was waarop hij had gewacht." Op eigen verzoek gaat Cameron na zijn gesprek met Hsioe drie maanden mediteren in het "hol van de westwaarts drijvende wolken, (...) een ruimte in de rots"...


Al eerder is beschreven hoe de ex-marconist bij herhaling in een tussenwereld dreigt te blijven steken. Een van die episoden is het verblijf bij de horlogemaker Tsu, waar Cameron zich voelt "als Gulliver, die tussen Lilliput en Brobdignag zou zijn blijven hangen" (H.4). Een andere tussenwereld is de droomrealiteit van de opium (H.l en H.3), terwijl Cameron zijn lot ook vergelijkt met dat van een loods (H.2): "Hij voer heen en weer tussen stad en zee, tussen volte en leegte, tussen rumoer en stilte, en geen van beide had vat op hem." Ook zijn bedevaart naar het hol in de rots brengt hem tussen twee werelden; we zullen zien dat in heel dit tweede deel van de voorgenomen trilogie Cameron de "halfheid" niet overwint.


IV


De expeditie van Hsioe, wapenhandelaar en uitbuiter van menselijke ellende, brengt de westerlingen diep het "verboden rijk" in, naar de stad Tsjong King, die tot dan toe geheel "rein", geheel "ongerept" is gebleven (H.10). Nu dringen ook daar westerse "barbaren" door, nadat de kust en enkele steden in het binnenland al eerder zijn "geïnfecteerd".


In dit tiende hoofdstuk krijgen we als lezers voor het eerst een beeld van Cameron door de ogen van een Chinese verhaalfiguur. Kia So, de oorlogspriester van Tsjong King, beschrijft namelijk de pasfoto die Hsioe vóór de expeditie van hem heeft gemaakt. Hij doet dit in een brief aan de Wijze Han Tsjen in het Land der Sneeuw (Tibet): Bij deze man, schrijft Kia So, "schieten woorden te kort u weer te geven hoe hij was. Het gezicht was smal, de mond week, maar de mondhoeken verachtelijk neergetrokken, de ogen starend met een uitdrukking of zij zagen in de verste verten. Zo zien de anachoreten eruit, die na drie jaren afzondering in het duister hun kluis nog éénmaal verlaten, nog éénmaal het aardse leven proeven, waarna zij zich afwenden en voorgoed ondergaan. Immense verachting voor al het menselijke was op dit gelaat te lezen en maakte het bijna schoon" (...) (het beeld van anachoreet komt uit de beschrijving, compleet met foto, van zo'n figuur in Mystiques et magiciens du Thibet, Paris 1919, van Alexandra David-Neele).


In het volgende, elfde hoofdstuk staat Cameron voor de heerser van Tsjong King (de Toe Tsjoen), genoemde Kia So en de, voor ogen van gewone mensen

(waartoe ook de Toe Tsjoen behoort) onzichtbare Wan Tsjen (Cameron ziet hem wel!). De Toe Tsjoen observeert Cameron: "Hoe gemakkelijk waren de anderen

te herkennen geweest, voordat zij een woord hadden gesproken" (...) "Maar deze was vreemd, wezenloos, algemeen en ondefinieerbaar als de avondschemering"

(als een tussenfiguur tussen licht en donker).


V


Op weg waarheen is Cameron al zo veranderd? Hoe ver is hij op die weg gevorderd? Bereikt hij wat hem voor ogen staat? De laatste zes hoofdstukken en de epiloog van Het leven op aarde moeten die vragen beantwoorden. Ik zie mij genoodzaakt weer veel te citeren. Wie het boek goed in zijn hoofd heeft, kan mijn bewijsvoering in deze paragraaf geredelijk overslaan.

Het gesprek met de Toe Tsjoen in het elfde hoofdstuk bevat belangrijke aanwijzingen. Voor hij het woord tot Cameron richt, geeft hij de ex-marconist "gewoon een hand" (...) "Cameron ontzonk daardoor geheel het zelfvertrouwen" (...) "Zijn verlangens en vooruitzichten wisselden als fata morgana's, nu alles, dan niets belovend, bijna in hetzelfde ogenblik wonderlanden in puur licht gebaad en lege vlakten waarover vals licht uit een lage nevel scheen en wolken dreven met een grijns van verachting voor het paradijs dat daaronder een schijnbestaan had gevoerd."


Een paradijselijke wereld van schone schijn contrasteert in Camerons verlangens en vooruitzichten scherp met "lege vlakten waarover vals licht uit een lage nevel scheen."


De Toe Tsjoen verzoekt Cameron een radio-ontvanger voor hem te bouwen Als hij dat toezegt, vraagt de machthebber hem wat zijn beloning moet zijn. Cameron: "Ik wil geen naam meer hebben, ik wil niet meer gekend zijn dan een koelie. En hier mijn verder leven blijven." Dit verlangen is in de ogen van de Toe Tsjoen "bijna dat van een wijze"; hij zegt hem dat het gewenste moeilijk is te realiseren: "als je niet alles wat je bindt aan je verleden los kunt maken, dan gelukt het niet. Zelfs de herinnering aan het vroegere moet verdwijnen."


Nu blijkt een wezenlijk verschil tussen beiden. Cameron zegt, niet te weten welk verleden hij zou moeten hebben. "Afkomst en bloedverwanten ken ik niet" (...) De Toe Tsjoen voelt medelijden - voor hemzelf is "het hebben van een voor- en een nageslacht het essentiële van het leven zelf, het eigen leven een bijkomstig iets." Hij beziet Cameron nu weer als "een vreemd wezen, bijna niet van de aarde"; hij doet hem in zijn wezenloosheid zelfs denken aan een "schim, teruggekomen uit de onderwereld."


Een voorgeslacht zegt Cameron niet te hebben. De Toe Tsjoen vraagt door over het nageslacht: "Ben je bereid een Chinese tot vrouw te nemen?" Na aanvankelijk ontwijkend te hebben geantwoord, zegt Cameron, "dat hij zijn geslacht niet voort wilde zetten en het met hem wilde laten uitsterven." De Toe Tsjoen meent dat hij dan in een Lama-klooster beter op zijn plaats is dan in Tsjong King, maar Cameron reageert: "Ik wil niet met mijzelf alleen zijn."


De verteller besluit het elfde hoofdstuk met de beschrijving van de stad als een enorm bed boven het "oude aardvuur" en onder de deken van de nacht, een bed, "ruim genoeg en warm genoeg om alle duizenden families en miljoenen doden die binnen zijn muren bestonden, plaats te geven. Toch hurkten ze bij elkaar of lagen in nauwe graven, steeds - in het leven en daarna, 's nachts en overdag - koesterend hun ruimtevrees, elkaar hatend en verslindend en toch steeds elkaar weer zoekend, zoals de atomen elkaar afstoten en aantrekken."


Intussen is Cameron ondergebracht bij de laatste afstammeling van de Portugese koopman Velho, die we in Het verboden rijk het binnenland in hebben zien trekken. Uit het raam van zijn kamer ziet hij "een witte zachte bergtop," maar het huis van Velho bezorgt hem bijna een terugval in het verleden: "Had ik een weg door half China afgelegd om te bereiken wat ik vroeger in tien minuten roeien en vijf minuten wandelen bereikte?" Hij ziet overigens meteen in dat dit niet zo kan zijn: "het was verbeelding, een oppervlakkige gelijkenis." Hij wil niet meer denken, bang dat zijn hoofd zal "barsten door opgestuwde gedachten." En "zou, als het springen van een [stoom-]ketel een stad kan verwoesten, dat niet de ondergang van een wereld kunnen veroorzaken?"


Dan ziet hij onder de witte bergtop "een zachtrode zone. Was het morgenrood of was het een rood meer? Als ik daar leven kon, op die witte top aan de oevers van dat meer, zou ik veilig zijn en niet verder willen gaan. Dat dacht ik nu. Maar ik kwam immers overal van terug. Op zee zag ik het land als het beter bestaan, eenmaal daar zocht ik mijn heil in de lange reis, en dacht onderweg door mij in te leven in een zuiver Chinese stad gelukkig te worden en bevrijd: eenmaal nauwelijks daar (...) hing ik aan een raam en tuurde naar een onbereikbare top."


Na een strijd van enkele weken tegen het verleden in de persoon van Velho voelt hij zich bevrijd en optimistisch: "de berg leek niet onbereikbaar, Tsjong King niet zo onbewoonbaar, maar ook niet langer het enige overgebleven oord om voort te kunnen bestaan. Het was meer het enig gezelschap in een overigens leeg heelal (...) Ik wist nu eigenlijk wel voorgoed dat ik toch niet met de mensen zou kunnen samenleven, maar wel alleen op de aarde."


Terwijl de dood nadert - hij laat het vinden van onderdelen voor het radiotoestel aan het toeval over, al moet hij met zijn leven boeten als de constructie hem niet lukt - belandt Cameron binnen Tsjong King plotseling in een andere wereld (H.13): "Het was alsof ik niet meer reed in Tsjong King maar in een grote Indische stad, ergens in het vochtige, brede, welige Gangesdal, een stad die verlaten zou zijn door alle bewoners, als pelgrims afgedaald naar de verre rivieroevers en daar in het water gedompeld." Hier volgt hij een slang en hervindt zijn reisgenote Fong Sjen, intussen als prostituee en bordeelhoudster tot welstand gekomen. Van haar krijgt hij opium voor een verslaafd expeditielid dat hem aan al het benodigde kan helpen, uitgezonderd radiobuizen. Maar als hij tenslotte, half tegen zijn zin, het hoertje Ngan Tse naar de tempel van de oorlogsgod begeleidt, vindt hij ook deze onmisbare onderdelen. Intussen heeft hij in een opwelling de olie laten aanboren, die Tsjong King zal verwoesten en vervolgens als een Westerse industriestad laten herrijzen.


Vrouwen redden hem van de dood (letterlijk tenslotte door Kia So in de oliepias te duwen), moeder aarde met haar olie bevrijdt hem van Tsjong King. Als de stad in vlammen opgaat, denkt de Toe Tsjoen, voor hij in het vuur omkomt: "De vreemdeling was zeker dood", en "Als de vreemdeling dood was, dan Wan Tsjen zeker ook" (...)


Maar de verteller vervolgt: "Ten opzichte van de vreemdeling en Wan Tsjen had hij zich echter vergist." De laatste "had voor deze zeldzame gelegenheid de adembenemende ijlloop die het snelste vervoermiddel is in het Land der Sneeuw hier in toepassing gebracht. De vreemdeling was door de ontploffing naar de overkant van de gracht geworpen, gekneusd en verdoofd, en had toen hij bijkwam, besloten te blijven liggen en zijn verdere dood af te wachten. Hij had op aarde niets meer te zoeken. Maar terwijl hij zo stervensbereid was zag hij de bergtop voor zich waarheen hij vroeger had gestaard, nu met een rode gloed overtrokken, niet van avondrood. Hij dacht aan Wan Tsjen, (...) herinnerde zich dat hij kwam uit het Land der Sneeuw, dat liggen moest voorbij die top. Het denken eraan gaf hem koelte. Hij stond op, het gaan viel hem gemakkelijk"...

 

VI


Dan volgt de epiloog. Alvorens die te bekijken recapituleer ik het tot dusver gevondene.

Er zijn vier stadia te onderscheiden tussen de aankomst in Tsjong King en de epiloog:


1. dat van het eerste gesprek met de Toe Tsjoen (de "gewone" Chinees);


2. dat van het verblijf bij Velho (het verleden);


3. dat van het contact met Fong Sjen en Ngan Tse (de vrouwen);


4. dat van de ondergang van Tsjong King (op weg naar de Wijze).


- ad 1: Cameron heeft fata morgana's van alles en van niets. Alles: wonderlanden in puur licht gebaad, een schijnbaar paradijs. Niets: lege vlakten waarover vals licht uit een lage nevel schijnt en waarboven wolken hangen met een grijns van verachting voor het schijn-paradijs. Zijn wensen zijn in deze fase dus dubbel: enerzijds schone schijn, anderzijds leegte (die, impliciet, niet schijnbaar, maar echt is).

   In het gesprek met de Toe Tsjoen, de "normale" Chinees, blijkt hij zeer van deze te verschillen. Is voor zijn gesprekspartner het hebben van voor- en nageslacht (verleden en toekomst) het wezen van het leven, het eigen leven (heden) iets bijkomstigs, Cameron heeft geen herkomst, geen verleden, en wil geen toekomst over de grens van zijn eigen individuele leven heen. Daardoor hoort hij volgens de Toe Tsjoen in een wereldonthecht klooster thuis.

   Maar: Cameron kan het in deze fase nog niet zonder medemensen stellen. Volgt de veralgemening door de verteller naar "gewone" mensen die met hetzelfde euvel behept zijn, die uit ruimtevrees elkaar met magnetische kracht aantrekken en afstoten, elkaar opzoeken hoewel ze elkaar haten en verslinden.


- ad 2: Cameron strijdt tegen het verleden (Velho) door te weigeren te denken. Hij ziet een witte bergtop, later met een zachtrode zone eronder. Is het een rood meer, dan wil hij op die onbereikbare top aan dat rode meer leven. Tegelijk twijfelt hij uit zelfkennis: achter ieder bereikt doel immers begint een nieuwe wens.

   Na de overwinning op het verleden is de berg niet onbereikbaar meer, Tsjong King niet onbewoonbaar, ook niet langer de enige mogelijkheid van voortbestaan, maar: het enig gezelschap in in een overigens leeg heelal.

   Cameron weet niet meer met mensen te kunnen samenwonen, wel alleen op aarde.


- ad 3: Na het denken geeft Cameron ook alle doelgerichte activiteit op. Hij laat zich "vrouwelijk" drijven op het toeval. Een slang brengt hem in een "Indiaas" deel van Tsjong King naar Fong Sjen, Ngan Tse en een derde meisje, prostituees onder meer van Kia So de oorlogspriester. Deze scène roept de mythe in herinnering van de slang Ladon, de boom met de gouden appels en de drie Hesperiden, dochters van de nacht, Hespera, Aigle en Erytheia. Net als in de mythe lokken fluittonen de slang en de man. (zie K. Kerenyi: Die Mythologie der Griechen, Bd. I, H.III. par.9.) Ngan Tse, die optreedt als een voorafspiegeling van de bovenaardse vrouwenfiguur in de epiloog, redt hem samen met haar meesteres het leven.


- ad 4: Cameron overleeft de ramp, heeft op aarde niets meer te zoeken en wil best sterven. Dan echter ziet hij de bergtop met een rode gloed overtrokken. Hij volgt de Wijze Wan Tsjen naar het Land der Sneeuw.


VII


In de epiloog staat Cameron op de bergtop: "Het was vreemd op deze vaste brokken steen te staan en te bedenken dat dit nu hetzelfde was wat mij zo vaak had voorgezweefd" (...) "En toch, hoe onwrikbaar de bodem ook scheen, nog voelde ik mij ermee in de ruimte zweven. Kon ik dan ook hier niet, zelf eindelijk tot stilstand gekomen, het leven van de aarde aan mij voorbij laten trekken voordat het gedaan was, met mijn lichaam de sensatie genieten waarvoor de andere mensen leven?"


Het bereiken van een definitief doel blijkt, zoals hij al vreesde, een illusie. Zolang hij leeft is de gewenste stilstand voor hem niet weggelegd, hij kan niet via zijn lichaam gewoonmenselijke sensaties beleven, hij blijft zweven, zwerven, bewegen.


Dan wenkt Wan Tsjen hem van de overzijde. Maar Cameron aarzelt de paar stappen te doen die hem bij de Wijze zullen brengen: "de hellingen aan de overkant waren ontzaglijk grauw en doods." Een verblijf daar is nu niet direct wat hij zou willen, zijn wens is zich te "verheugen in de bevalligheid" en te "blijven in de liefelijke streken." Toch wil hij zijn "lot" kiezen; als hij echter met gesloten ogen de stap doet die hem bij Wan Tsjen zal brengen, valt hij in een onbewoond meer van papavers (opiumbloemen): "Op het ogenblik dat ik duizelend en met mijn laatste levenslust wegkrimpend het Land der Sneeuw waande binnen te gaan, vanwaar niemand menselijk terugkeert, had ik door een val of een toeval het westelijk paradijs, gevonden (...) dat nog door niemand is aanschouwd" (...) "Bijna was ik eroverheen gestapt, door ascetische wanen aangetrokken." Weer denkt hij: "Voorgoed: Hier ging ik niet meer vandaan." Hij wil "de oorspronkelijke genieting zelf" als beloning voor het feit dat hij "de flauwe afspiegeling van genot (...) altijd had ontbeerd." Een anonieme, bovenmenselijke, gedachteloze vrouw komt hem tegemoet. Door haar als door een nieuwe Circe vergeet hij een tijdlang zijn vorige ervaringen. Maar ook in deze schijnbaar ideale omstandigheden blijft hij heel Homerisch de eeuwige "zorgbedenker" en schrijft hij over het westelijk paradijs in de hoop ergens ooit te worden gelezen; want zelfs hier wijkt het verlangen naar communicatie niet, evenmin als dat om "toch de bergketenen over te trekken" (...)


Nu, in het vrouwelijk opium-paradijs dat door de "Tuin der Hesperiden" werd voor-aangekondigd, zou hij willen dat het rode meer van papavers de grote blauwe stroom afdreef, de oceaan af, om als een enorme bloemenboot overal vreugde en weelde te brengen. Zijn sociale bekommernis, die hem al tijdens de hongersnood ertoe bracht zijn eten met de berooiden te delen, die hem vervolgens op de gedachte bracht tegelijk met zichzelf ook Velho van het verleden te verlossen, laat hem ook hier niet in de steek. Maar hij kan niet terug naar zijn uitgangspunt, de zee, om de tegendelen (Yin-Yang, land-zee, dood-léven, Oost-West) tot eenheid te brengen. Hij moet genieten in een paradijs, bovendien gelegen "in het aangezicht van de onwrikbare bergen van het Land der Sneeuw" (door zijn partner niet waargenomen), bergen die 's morgens "grauw en doods" zijn. Ook ïn het rode Paradijs is het land van de asceten trouwens vertegenwoordigd,, en wel door kwellende klokjes, "blauw, boosaardig kobaltblauw."


Cameron heeft nog altijd de begeerde eenheid met zichzelf en zijn situatie niet bereikt. Als hij de klokjes laat vastbinden, is het paradijs verstoord. "En op een nacht keert al het wee waaraan ik mij hier ontkomen waande." In de droom belandt hij als een schelp in een cycloon en zinkt "naar de diepere lagen." "Het westelijk paradijs is verdwenen." Het wonen daar, "waarvan ik eerst dacht dat het eeuwen duren zou, dat mij daarna lang viel, heeft het toch maar een ogenblik geduurd?"


Wan Tsjen deelt hem mee dat hij niet sterk genoeg is om zonder zijn voortdurende steun in het Land der Sneeuw te leven. Cameron moet in het Rijk van het Midden blijven. Dat doet hij, zonder zich nog ergens op te houden. Zwervend, neemt hij "geen deel meer aan het leven op aarde. Voor hen die dat wel doen kan het maar één zin hebben: andere levens verdelgen bij menigten, toch plaats makend voor nieuwe komenden."


Ik heb, zegt Cameron tenslotte, "de zin, grotendeels ondanks mijzelf, door mijn lotgevallen, volbracht, mij bevrijd uit de samenzwering van afstamming en belagende geesten en verwekt tot de smalle rest van een eigen bestaan. Ik hoefde mij niet voortijdig te verwoesten."


Als niet-levende niet-dode zal hij blijven zwerven tot de dag dat hij zal overgaan [sterven]. Dan hoopt hij alsnog Wan Tsjen te bereiken en met hem "die niet kan sterven noch delen het kommer- en vormloos bestaan van de ware onsterfelijken" de strijd tegen het geestenleger, de demonen, voort te zetten. Ook het uit de epiloog gedestilleerde vat ik samen: Er zijn drie fasen in te onderscheiden:


1. op de witte berg;


2. in het rode paradijs;


3. in het Rijk van het Midden.


-ad. 1: Eenmaal het "doel" bereikt, de rots, voelt Cameron zich met deze "vaste grond onder de voeten" niettemin in de ruimte zweven. De bodem schijnt slechts onwrikbaar, het eindpunt is geen werkelijk eindpunt.

   Hier blijkt, wat Cameron "zo vaak had voorgezweefd", dus wat hij als einddoel had gewenst: a. zelf tot stilstand te komen na de lange reis; b. het aardse leven aan dat tot stilstand gekomen ik voorbij te laten trekken (visueel, contemplatief) tot er een eind aan komt (aan hemzelf, aan het gadegeslagen leven of aan de een en het ander, dat wordt niet duidelijk); c. met zijn lichaam de sensatie genieten (sensueel), waarvoor de andere mensen leven.


Een dergelijk vast, aards, fysiek punt van enerzijds waarneming, anderzijds genot is echter (nog?) niet voor hem weggelegd.


Vanaf zijn rots kan Cameron overstappen naar het land van de Wijze Wan Tsjen. Hij deinst echter terug voor het grauwe en doodse van dat land. Hij geeft eigenlijk de voorkeur aan iets bevalligers en liefelijkers (iets esthetischers) dan het ascetengebied dat hij voor zich ziet. Hoewel hij bereid is niettemin voor de ascese te kiezen als dat zijn lot is, doet hij de stap naar die overzijde met de ogen dicht, blindelings.


-ad 2: Dat blijkt niet de juiste manier. Cameron valt, zij het zacht: in het rode paradijs van de opium. Daar wacht hem het genot, en wel wat wordt beschreven als de Platoonse Idee van het genot, niet de flauwe aardse afschaduwing daarvan. Meteen wil hij nooit meer weg uit dat paradijs en beschouwt hij de wereld van Wan Tsjen zelfs als "ascetische waan." "Voorgoed" blijkt echter korte tijd. Zijn verblijf in het bovenaardse heeft droomduur: eenmaal voorbij, is het net of er slechts een moment is verstreken. En zelfs tijdens zijn paradijsleven wordt voor hem het genot al bedorven: door beeld en geluid van de ascetische tegenwereld, door verveling en door het gemis van medemensen om zijn ervaringen aan mee te delen.


-ad 3: Na de verdrijving uit het paradijs van de bedwelming krijgt Cameron van Wan Tsjen te horen dat hij voor het Land der Sneeuw (waar eeuwig tegen demonen wordt gevochten) te zwak is. In het Rijk van het Midden moet hij proberen in beweging te blijven, zich nergens aan te hechten. Cameron ontsnapt inderdaad aan de kringloop van worden en vergaan door noch leven te verwekken, noch leven te vernietigen om voor ander leven plaats te maken. Hij geeft dus niet toe aan het instinct tot zelfbehoud van de soort in de tijd, en werkt ook niet mee aan de verdringing van de ene door de andere vorm van de materie in de ruimte.


Daarmee heeft hij, staat er, de zin van het leven volbracht, hoeft hij geen zelfmoord te plegen, heeft hij zich bevrijd van al wat verleden en niet-ik is, en heeft hij "zich verwekt tot" (!) een smal zelf tussen leven en dood.


IX


Als ik het dilemma waarvoor Cameron zich in de loop van het verhaal telkens weer gesteld ziet kort samenvat, kom ik tot de volgende omschrijving:


1. de esthetische weg, de weg naar schoonheid, naar de onmiddellijke, genotrijke ervaring van een bovenaardse Idee;


2. de weg van de ascese, de weg van de heilige.


Het dilemma is "oosters" verpakt (Chinees-Indisch-Tibetaans). Toch kan het volgens mij heel goed zijn ontleend aan een "westerse" filosoof: Schopenhauer. Het omschreven dilemma beheerst namelijk ook diens Welt als Wille und Vorstellung (het derde boek beschrijft de esthetische weg, het vierde de ethisch-ascetische).


Formuleringen bij Slauerhoff doen trouwens vaak aan formuleringen van Schopenhauer denken. Ik geef enkele voorbeelden:


(H.2.): "Hoewel geen van die wezens mij iets deed, had ik het gevoel alsof zij met hun allen mij ombrachten, alleen door hun daar zijn waar ik niet kon zijn en toch was."


(H.11): "Daarop antwoordde Cameron, dat hij zijn geslacht niet voort wilde zetten en het met hem wilde laten uitsterven."

   "elkaar hatend en verslindend en toch steeds elkaar weer zoekend, zoals de atomen elkaar afstoten en aantrekken."


(H.12): "Als ik daar leven kon (...) zou ik (...) niet verder willen gaan. Dat dacht ik nu. Maar ik kwam immers overal van terug."

   "het enig gezelschap in een overigens leeg heelal."


 (H.13): "wat verveelt niet?"


(H.16): "Plotseling trad, als een voorbode van de dood, algehele onverschilligheid in voor het eigen lot. Alleen de wil dit laatste te volvoeren bleef."


Belangrijker is dat in het stramien van Schopenhauers hoofdwerk de weg van Slauerhoffs held ligt voorgetekend. Werd dit in het voorgaande aannemelijk, dan wordt het mogelijk een veronderstelling te wagen omtrent het geprojecteerde derde deel van de roman. Voor de weg van de heilige, die de wereld blijvend verlost door zijn individualiteit te offeren, bleek Cameron niet rijp. Juister is misschien te zeggen, dat Slauerhoff zich niet rijp heeft geacht om zijn fictieve held in het stadium van ascetische heiligheid, van opheffing van het object, de wereld, via opheffing van het subject, te beschrijven. De dood heeft hem de weg naar die als voorwaarde gevoelde rijping voorgoed afgesneden.